In Alphen aan de Rijn vroeg het gemeentebestuur in '85 aan Professor Brugman van de universiteit Leiden of de koran moslimmeisjes het dragen van een hoofddoek voorschrijft. Toen de professor meldde dat dit niet het geval was verbood de wethouder het dragen van de hoofddoek. De consequentie van een vraag en antwoord waarbij geen rekening werd gehouden met het feit dat de islam ook op andere bronnen gefundeerd is. Naast de koran erkent het overgrote deel van de moslims ook de soena.
Sommige moslims betogen dat de Koran zich enkel richt tot de vrouwen van Mohammed, wanneer zij stelt dat 'echtgenotes, dochters en de vrouwen van de gelovigen iets van hun omslagdoeken over zich heen naar beneden moeten laten hangen' (33: 59). De sluier zou volgens deze uitleg een teken van onderscheiding zijn, omdat het 'hun harten reiner houdt' (33: 53). Maar het kan ook zo uitgelegd worden dat het ertoe diende mannen die al te handtastelijk werden van zich af te houden. Hierop wijst het tekstgedeelte dat er direct op volgt, namelijk: Dat bevordert het best dat men haar niet herkent en niet lastig valt’ (Koran 33, 59). Andere moslims vatten deze passage op als een algemene plicht voor islamitische vrouwen om zich te sluieren, of op zijn minst als een aanbeveling. Een veel geciteerde soera in dit verband is; Soera 24 An Nour aya 31:
En zeg tegen de gelovige vrouwen, dat zij hun ogen neerslaan en hun kuisheid bewaken en hun sieraad niet tonen, behalve wat daarvan zichtbaar is. En zij moeten hun doeken over hun boezems dragen en hun schoonheid niet openlijk tonen, behalve aan hun echtgenoten of hun vaders, of de vaders van hun echtgenoten, of hun zonen, of de zonen van hun echtgenoten, of hun broeders, of de zonen van hun broeders, of de zonen van hun zusters, of hun vrouwen, of slavinnen waarover zij beschikken, of mannelijke helpers die geen begeerte meer hebben, of de kinderen die nog niet op de aura* van vrouwen letten. En laten zij niet met hun voeten stampen om hun sieraden die zij verbergen te laten kennen. En keert allen berouwvol tot Allah, O gelovigen. Hopelijk zullen jullie welslagen.
* Aura: de lichaamsdelen van de mannen en de vrouwen die niet getoond mogen worden. Welke deze lichaamsdelen zijn, wordt bepaald door wie er naar kijkt.
Ook in deze tekst zie je geen directe verwijzing naar een hoofddoek. Het woord dat vaak gebruikt wordt is hijaab, wat het best vertaald kan worden met een ‘verhullende kledingstijl’. Naast de Koran is voor moslims ook de soenna gezaghebbend. Het Arabische woord soenna betekent 'manier'. De Soenna in de islam is de manier van de profeet Mohammed zoals die gekend is via overleveringen over diens leven, de ahadith. Uit al wat Mohammed zei en deed tijdens zijn leven als profeet wordt de Soenna afgeleid. Sommige schriftgeleerden hebben Mohammed’s leven en woorden opgemaakt dat slechts het gezicht en de handen onbedekt mogen blijven. De rest zou behoren tot de ’schoonheid’ die bedekt moet worden.
Een gangbare wijze van denken over wat van het lichaam in aanwezigheid van mannen en/of vrouwen bedekt moet worden definieert de Aura en opzichte van degene die kijkt:
- Mannen onderling: het gedeelte van het lichaam tussen knieën en navel.
- Vrouwen onderling: het gedeelte van het lichaam tussen knieën en navel.
- Vrouwen tegenover mannen, die niet in vers 31 genoemd worden: haar gehele lichaam behalve haar gezicht en handen. In het bijzijn van mannen die wel in vers 31 genoemd worden mogen zij hun hoofddoek of sluier afnemen.
- Mannen tegenover vrouwen: het gedeelte van het lichaam tussen knieën en navel.
Over de leeftijd waarop meisjes zich moeten sluieren lopen de meningen uiteen. In sommige families draagt een meisje op jonge leeftijd een sluier, in andere gaat ze hiertoe pas over na haar eerste menstruatie (als ze seksueel rijp is). Er bestaat onder de geleerden van alle islamitische rechtscholen consensus over dat het dragen van een hoofddoek voor moslima's die de puberteit hebben bereikt verplicht is.
Het argument voor hoofddoekjes:De argumenten voor de hoofddoek verwijzen vaak naar grondrechten en mensenrechten. Er zijn twee mensenrechten die in deze kwestie vaak aangehaald worden. Dat zijn de vrijheid van godsdienst en het verbod van discriminatie.
Vrijheid van godsdienst:
Art. 6 lid 1: Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
Op de vrijheid van godsdienst bestaat een zogenaamde ‘beperkingclausule’. Net zoals de meeste mensenrechten is de godsdienstvrijheid geen absoluut recht. Een beperkende maatregel, zoals een hoofddoekverbod, is toegelaten als deze:
- een basis heeft in een algemene regel, een wettig doel heeft, dwz ofwel één of ander algemeen belang zoals bv. de openbare orde, ofwel de bescherming van de rechten van anderen;
- evenredig is met dat doel, dwz dat je geen maatregel mag nemen die veel strenger is dan nodig om het doel te bereiken.
Verbod op discriminatie:
Een tweede recht waarop een hoofddoekdraagster zich kan beroepen, is het verbod van discriminatie op grond van godsdienst (bv. artikel 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten). In Nederland beschouwt de Commissie Gelijke Behandeling een hoofddoekverbod in bijna alle gevallen als een verboden discriminatie.
Art. 1 Grondwet: Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Niet elke ongelijke behandeling op grond van godsdienst is echter een discriminatie. Dit is pas het geval wanneer er geen ‘objectieve en redelijke rechtvaardiging’ voor bestaat. Wanneer er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is, is zowel een rechtstreeks als een onrechtstreeks onderscheid op grond van godsdienst verboden. Wanneer enkel de Islamitische hoofddoek verboden wordt, gaat het om een rechtstreeks onderscheid; wanneer echter alle hoofddeksels verboden worden, gaat het om een onrechtstreeks onderscheid op grond van godsdienst, omdat dit, ondanks de neutrale formulering, moslimmeisjes benadeelt. Het criterium ‘objectieve en redelijke rechtvaardiging’ is in de praktijk sterk vergelijkbaar met het criterium: ‘evenredigheid met een legitiem doel’. Ook hier komt de beoordeling toe aan de rechter.